Selecteer een pagina

Landbouw door de eeuwen heen

Het vredige platteland
Waar nu akkers en weilanden liggen werd in het verleden meestal ook al ‘geboerd’. Maar de landbouw is door de eeuwen heen wel veranderd. Het landschap en de bewerking van dit landschap heeft sinds de prehistorie een hele ontwikkeling doorgemaakt. Van een landschap waarin de rivieren hun eigen weg zochten naar een bedijkt rivieren- landschap. En van de duivenbonen en erwten uit de ijzertijd, via de koriander in de Romeinse tijd, naar de tarwe, bieten en aardappelen in onze tijd.
De agrarische wereld is altijd in ontwikkeling en mens en dier zullen zich constant aan veranderende omstandigheden blijven aanpassen. Het boerenleven was eeuwenlang de belangrijkste bron van bestaan tot aan de industriële revolutie. Nadien trokken velen naar de stad en verloor de boer langzaam aan invloed.

Water als bron en last
Voordat er dijken waren was het rivierengebied een zeer dynamisch landschap. Een rivier sleet haar eigen bedding uit, maakte oeverwallen van zand en grind, en kronkelde door het landschap. Water was belangrijk, maar de overlast ervan was dikwijls ook groot. Overstromingen kwamen veelvuldig voor. Vooral in de lente als het smeltwater van de bergen de rivieren in het Nederlandse rivierengebied bereikte. Met grote regelmaat traden de rivieren bij hoogwater buiten hun oevers. Daardoor overstroomden niet alleen de oeverwallen maar ook het achterland. Telkens bleef daarbij een sliblaagje of sediment van zand en

vooral klei achter. Zo ontstond een nieuwe, vruchtbare voedingsbodem voor de landbouw.
Pas bij de aanleg van dijken vanaf de 11de tot en met de 14de eeuw lagen de rivieren vast binnen hun bedding. Jaarlijkse grote overstromingen, waarbij grote delen van zowel de hoge als lage delen van het landschap onder water stonden, bleven grotendeels achterwege. Toch braken
de dijken vroeger nog met enige regelmaat door. Als het water dan met grote kracht het achterland in strooomde ontstond een ‘wiel’ of ‘kolk’. Deze met water gevulde gaten
zijn nog steeds op veel plaatsen in het rivierenlandschap te vinden.

Hoge stroomruggen en lage komgronden
Het prehistorische en vroegmoderne landschap in het rivierengebied stond geregeld geheel onder water.
Dat leverde beperkingen op voor de uitoefening van de landbouw, in het bijzonder voor de akkerbouw. Voedselgewassen kunnen het best op goed doorlatende grond worden verbouwd. De grond moet niet te zwaar zijn om te bewerken en ook een goede waterhuishouding hebben. Dit soort gronden liggen op de hoge oeverwallen en de flanken van de stroomruggen. De laaggelegen komgronden, die vooral uit vette kleilagen zijn opgebouwd, zijn veel natter. Daardoor zijn ze minder geschikt voor het verbouwen van voedsel- gewassen. Klei heeft het kenmerk dat het erg zwaar is om te bewerken. Ook kan klei sterk uitdrogen, maar bij een teveel aan water is kleigrond juist slecht waterafvoerend. Klei is dus minder geschikt voor intensieve akkerbouw. Maar de lage komgronden waren wel zeer geschikt als weidegrond en hooiland.

Een gemengd bedrijf
Schema van rivieractiviteit: 1) waterstroom, 2) oeverwal, 3) kom, 4) crevasse/afzetting, 5) kronkelwaard, 6) dode arm, 7) zand en grind, 8) zavel, 9) klei.

In het rivierengebied is de landbouw traditioneel gebaseerd op een gemengde bedrijfsvoering van akkerbouw en veeteelt. Vanaf de late prehistorie huisden mens en dier onder hetzelfde dak. In dergelijke ‘woonstalhuizen’ of boerderijen stonden vaak 10 tot 30 stuks vee op stal, afhankelijk van de omvang van het boerenbedrijf.
Het merendeel van de veestapel bestond door de eeuwen heen uit rundvee. Vlees, zuivelproducten en trekkracht zijn de producten van die tijd. Naast de koeien, die veel kleiner waren dan het tegenwoordige zwart- of roodbonte ras, hield men schapen, geiten, varkens en in de Romeinse tijd vooral ook paarden.

Plantaardig menu
Het menu werd verder aangevuld met granen. Dit zijn de belangrijkste voedselgewassen in de prehistorie, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Daarbij moet vooral gedacht worden emmertarwe, spelt, gerst, pluimgierst en vanaf de (laat-)Romeinse tijd ook rogge en haver. De boer blijft lang deze traditionele gewassen nog lang verbouwen. Pas in de moderne tijd ontstaan gespecialiseerde bedrijven met een ‘monocultuur’, waarbij nog maar één of enkele gewassen geteeld worden. Voorbeelden zijn de fruitteelt in de Betuwe. Maar ook tabaksplantages die vanaf de 17de eeuw bestaan in de Betuwe en langs de Utrechtse Heuvelrug. Later richten de boeren zich ook op suikerbieten, koolzaad, tarwe en bijvoorbeeld bloembollen in het duingebied. Aardappelen worden pas vanaf de 16e eeuw, na de ontdekking van Amerika, geteeld in Nederland. Van oorsprong groeien ze in Zuid- en Midden-Amerika. In eerste instantie werden ze alleen als veevoer gebruikt, pas later werd het algemeen ‘volksvoedsel’. Mislukte graanoogsten en sterk stijgende graanprijzen droegen hieraan bij.

De boer in moderne tijden
Het land- en grondgebruik van de boerengemeenschappen veranderde verder in de Late Middeleeuwen. Oorzaak is de bedijking van de rivieren. Dankzij die bedijking werden nu ook lager gelegen gronden in cultuur gebracht en voor akkerbouw gebruikt. Toch gingen de ontwikkelingen niet snel. De productie en verkoop aan de markt verliepen langzaam. Er was dan wel meer grond, maar de mestproductie bleef achter en zonder mest groeiden de opbrengsten niet door. Mest was is ieder geval lange tijd de reden voor een gemengd bedrijf van akkerbouw en veeteelt.
Het uitrijden van de mest uit de loopstallen was naast hooien, spitten, zaaien en ploegen, een van de belangrijkste activiteiten van het boerenbedrijf. Pas bij de uitvinding van kunstmest, in de 20ste eeuw,
nam de vruchtbaarheid van de bodem overal spectaculair toe. Dat resulteerde in enorme
overschotten (bijvoorbeeld ‘boterbergen’ en ‘melkplassen’).
Met de huidige machines zijn ook de komgronden beter te bewerken.
Daarom vinden we daar tegenwoordig ook akkerbouw.